Uit: Ciska Zwart:
“Ja, dat zou ze wel willen, ja, Ciska, dat ze dat zo heerlijk vrij roept, de klas in. Maar dat lukt haar niet. Niet meer, althans. Sinds een jaar stottert ze.
Of zoals ze zelf zegt: “Ik sto… sto… sto sto… stótter!” waarbij ze dan hard om zichzelf moet lachen en al die gekkigheid van dat stotteren. Lachen is het beste, om te verdedigen.
“Ciska, praat toch eens normaal joh, stomme stottertrut!” hoort Ciska op het schoolplein. En ze weet dat als ze dan gaat lachen, maar dan echt heel hard hardop lachen, harder dan de ander, dat dat slimmer is dan de ander en voor maanden roept er dan niemand meer iets. Ze merken het stotteren niet eens. Ze heeft dit in stille woorden geleerd van de hoge rug van haar moeder. Als Ciska lekker lacht vermoedt niemand iets en worden alle zorgen van haar moeder weggenomen.”
“Ciska is een heerlijke roman om te lezen, zo positief!”
Ciska stottert sinds haar zesde. Zelf had ze er eigenlijk nooit problemen mee, maar iedereen in haar omgeving wel. Mensen laten haar niet uitpraten of kijken zielig als ze haar mond alleen al open doet. Daarom heeft Ciska nu ook veel last, van dat stotteren. Aan de andere kant heeft het stotteren haar ook veel geleerd: want waar heeft ze nu eigenlijk last van, denkt ze bij zichzelf, van dat stotteren of van die mensen? Dit, en veel andere dingen maakt Ciska Zwart anders. Want als kind begrijpt ze ook al niet waarom overal zo geheimzinnig over gedaan wordt: haar overleden broertje, het drinken van haar vader. Trouwens, hoe hoort alles eigenlijk, waarom schamen mensen zich voor het ene en vinden ze het andere doodgewoon? Ciska groeit op en komt vanuit haar ouderwetse tuindersmilieu terecht tussen feestende stedelingen die hun eigen vrijzinnigheid allemaal even geweldig vinden. Ze weet te vluchten en denkt na omzwervingen rust en harmonie te vinden bij haar vrouw en twee zoons, maar, haar verleden blijft toch achter haar aan racen. Ze hoopt verlossing te vinden door een vooroorlogse Bugatti te stelen. Op klaarlichte dag. Een diefstal die geen echte diefstal is en totaal mislukt. Het wordt haar bijna fataal.
Ciska leert zichzelf ondertussen om langzaam van het stotteren af te komen, ondanks dat deze ‘stoornis’ haar veel over zichzelf en anderen heeft geleerd. Ze overwint al haar problemen en houdt moed.
Uit: Ciska Zwart:
“Ja, dat zou ze wel willen, ja, Ciska, dat ze dat zo heerlijk vrij roept, de klas in. Maar dat lukt haar niet. Niet meer, althans. Sinds een jaar stottert ze.
Of zoals ze zelf zegt: “Ik sto… sto… sto sto… stótter!” waarbij ze dan hard om zichzelf moet lachen en al die gekkigheid van dat stotteren. Lachen is het beste, om te verdedigen.
“Ciska, praat toch eens normaal joh, stomme stottertrut!” hoort Ciska op het schoolplein. En ze weet dat als ze dan gaat lachen, maar dan echt heel hard hardop lachen, harder dan de ander, dat dat slimmer is dan de ander en voor maanden roept er dan niemand meer iets. Ze merken het stotteren niet eens. Ze heeft dit in stille woorden geleerd van de hoge rug van haar moeder. Als Ciska lekker lacht vermoedt niemand iets en worden alle zorgen van haar moeder weggenomen.”
“Ciska is een heerlijke roman om te lezen, zo positief!”
De biografie Ciska Zwart in het kort:
Ciska stottert sinds haar zesde. Zelf had ze er eigenlijk nooit problemen mee, maar iedereen in haar omgeving wel. Mensen laten haar niet uitpraten of kijken zielig als ze haar mond alleen al open doet. Daarom heeft Ciska nu ook veel last. Maar, het stotteren heeft haar ook veel geleerd. Want waar heeft ze nu eigenlijk last van, denkt ze bij zichzelf, van dat stotteren of van die mensen? Dit, en veel andere dingen maakt Ciska Zwart anders. Want als kind begrijpt ze ook al niet waarom overal zo geheimzinnig over gedaan wordt: haar overleden broertje, het drinken van haar vader. Trouwens, hoe hoort alles eigenlijk, waarom schamen mensen zich voor het ene en vinden ze het andere doodgewoon? Ciska groeit op en komt vanuit haar ouderwetse tuindersmilieu terecht tussen feestende stedelingen die hun eigen vrijzinnigheid allemaal even geweldig vinden. Ze weet te vluchten en denkt na omzwervingen rust en harmonie te vinden bij haar vrouw en twee zoons, maar, haar verleden blijft toch achter haar aan racen. Ze hoopt verlossing te vinden door een vooroorlogse Bugatti te stelen. Op klaarlichte dag. Een diefstal die geen echte diefstal is en totaal mislukt. Het wordt haar bijna fataal.
Ciska leert zichzelf ondertussen om langzaam van het stotteren af te komen, ondanks dat deze ‘stoornis’ haar veel over zichzelf en anderen heeft geleerd. Ze overwint al haar problemen en houdt moed.